Ik glimlach en zie mijn naam vergaan ('Arcering', Hoonte)
Een dorpsstraat in de [ochtend] [...] Het meisje van de secretaris, Toos, stapt met haar mandje in de pas van drie.('Villégiatuur', Vergeetboek)
... schijnende over de gulden daken van een oud dorp aan de horizon ('Resurrectio', Afvaart)
Het kan ook zijn dat op een plein spontaan uw voetstap klinkt met een bekende kras. ('Myopie', Cenotaaf)
O groot en positief beslissen op een plein ('Verhouding', Eurydice)
De kerken ochtend bouwt ramen tegen het licht . In gouden medeplicht opent de kamer zich . ('Kerk', Stof)
Het onbekommerd lopende teloor naar een verschiet met horizon en toren is nu een brillebeeld, achterstevoren, dat in het holle van de lens bevroor. ('Oculair', Sneeuwwitje)
De biograaf aan de pomp.
Ik moest wezen bij 'n school ('Station', Vergeetboek)
Geen 'dominee uit 't dorpje hier', maar de biograaf op de kansel. Een man, een man; een woord een woord.
En bijbelteksten lagen op de loer ('Mania religiosa', Vergeetboek)
De kost gaat voor de baat uit. (Bredero)
Misschien vindt hij het enigszins verdacht, dat hij me aantreft in gemeentewijken, waar voor een fitter niets valt te bereiken. (Ballade van de gasfitter, VII)
...zo beitelnieuw, dat hij bij alle kerken zou kunnen liggen onder elke naam. ('Grafwinkel', Cenotaaf)
... een woord uit een oude grammatica: dat ik [...] verga en tot een vod lig te verslenzen. ('Spreekuur', Blauwzuur)
Groots en meeslepend wil ik leven! hoort ge dat, vader, moeder, knekelhuis. (Marsman)
Ik rij achter de ruit der autobus. Signalement dat meer en meer vergrijst. Op last van de politie ingelijst. ('Ontvoering', Cenotaaf)
Postmoderne compositie met jachstslot en keizer in effigie in de werkelijkheid.
Een niet zo groene duiventil voor Huize Doorn, op halfhoge palen in het land gezet - sinds jaren door geen duiven meer bezet. (vrij naar: 'Mon trésor', Spel van de wilde jacht)
Daar woonden wij bijeen met man en muis. ('Eben Haëzer', Vergeetboek)
Ik weet het grote paard, de hond, de koestal en het melkgerei; dit is het huis mijns vaders dat niet meer vergaat. ('De verloren zoon', Omose)
Gij zijt bij stroken in de mist betrokken. Een dunne wereld tussen u en mij heeft verderop zijn vage overzij... ('Zwevende claim', Spel van de wilde jacht)
Tekenen aan de wand glijden voorbij; dezelfde mensen nog, op een afstand. ('Ad interim', Vergeetboek)
Wij kwamen wel over de brug. ('Dorp', Hoonte)
Figuur in de gezichtslaan wordt een streep, de spijlen van het inrijhek gelijk. ('Hyade', Spel van de wilde jacht)
Ik kreeg wegwerkers in het poortgebouw; en zweeg. ('Nebo', Spel van de wilde jacht)
Landmeters in d'oranjerie??? ('Nebo', Spel van de wilde jacht)
In 't oude koetshuis is het feest begonnen. ('Verslaggever', Spel van de wilde jacht)
De tuinbaas met z'n valse bakkebaarden en roodgeverfde konen, dribbelt rond tusssen de kassen en de koude grond ('Tuinbaas', Spel van de wilde jacht)
Er is er dikwijls éen meer dan ik tel. ('Jachtopziener', Spel van de wilde jacht)
Een wit kasteel achter een oprijlaan kan al het vaderhuis zijn dat zo heet. ('Plexus solaris', Mascotte)
Achter droomramen leefden daar de rijken, verdronken met hun meubels en gezin. ('Beau lieu', Spel van de wilde jacht)
De baron weet van de prins geen kwaad. ('Mon trésor', Spel van de wilde jacht)
De weeldemeisjes misten het orgaan, onraad te merken over de bloemperken. ('Beau lieu', Spel van de wilde jacht)
Het klare uitzicht op de vrouw van steen lag ongerept; natuurlijk niks geweest. ('Tuinbeeld', Spel van de wilde jacht)
Najaden keren ijlings naar de bronnen. ('Makelaar', Spel van de wilde jacht)
Het grint in van mijn jeugd, de kiezelstenen. Nalatig ben ik boven ze uitgegroeid tot op de hoogte waar het niet meer boeit. ('Grint', Cenotaaf)
wandelgewoonte in uw knie en teen ('Röntgen', Mascotte)
Ondergeschikten, nauwelijks te herkennen, heren in frak, dames in baljaponnen, ze moeten even aan elkander wennen. ('Verslaggever', Spel van de wilde jacht)